Scope
In de Europese Unie wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving (Solvency II) voor de bepaling van het aan te houden kapitaal ter bescherming tegen de onzekerheden in het verzekeringsbedrijf. Daarvoor is het nodig om de onzekerheid in de technische voorzieningen te kunnen kwantificeren. Verzekeraars bepalen voorzieningen per branche of per productsoort en meten hierin de onzekerheid door toepassing van stochastische methoden op de statistische informatie in de verzekeringsportefeuilles.De onzekerheidsmarges die op brancheniveau zijn gemeten, moeten worden vertaald naar totaalniveau. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in de correlaties tussen de branches. Correlaties in verzekeringsrisico’s treden bijvoorbeeld op bij een storm, die schades veroorzaakt in de brandportefeuille, maar ook bij de autoportefeuille en de landbouwportefeuille. Voor het meten van deze correlaties is vaak te weinig statistisch materiaal beschikbaar. In de praktijk hanteren verzekeraars soms eenvoudshalve de (onjuiste) veronderstelling van statistische onafhankelijkheid, of hanteren zij de correlatiecoëfficiënten die bij het Solvency II-project worden gepubliceerd.
Doel
Onderzoek op welke wijze een schadeverzekeraar de onzekerheidsmarges op brancheniveau kan vertalen naar een onzekerheidsmarge op totaalniveau.
Onderdelen van de stage
Eerst zal via literatuurstudie een inventarisatie worden gemaakt van methoden voor het kwantificeren van correlaties. De mogelijkheid voor specifieke toepassing op schadereserves wordt onderzocht of zelf uitgewerkt. Daarna worden voor- en nadelen van beschikbare methoden geanalyseerd om tot een modelselectie te komen.
Kwantitatieve toepassing vormt een belangrijk deel van het onderzoek. De geselecteerde methoden worden uitgetest op data van één of meerdere Nederlandse schadeverzekeraars, waar nodig aangevuld met marktcijfers. Hierbij wordt enerzijds de toepasbaarheid voor toekomstig gebruik getest, en anderzijds zijn de uitkomsten zelf direct interessant en bruikbaar.
Scope
In de Europese Richtlijn 2003/41/EG is vastgelegd dat alle lidstaten vergunninghoudende pensioeninstellingen moeten toestaan pensioenregelingen uit te voeren van in het buitenland gevestigde ondernemingen. Een Nederlands pensioenfonds, die hiervoor een vergunning heeft, kan een pensioenregeling uitvoeren voor een onderneming die in een andere Europese lidstaat is gevestigd dan Nederland. Op dit moment bevat de Nederlandse wetgeving echter nog enkele voorwaarden, die het voor buitenlandse ondernemingen minder aantrekkelijk maken, hun pensioenregeling door een Nederlandse uitvoerder te laten uitvoeren. Deze voorwaarden zijn: verplichte domeinafbakening, het verbod op ringfencing, de strikte productafbakening en de voor Nederlandse pensioenfondsen geldende governance structuur.
Zolang deze voorwaarden van toepassing zijn, kan een Nederlandse pensioeninstelling niet volop gebruik maken van de mogelijkheden die de Europese richtlijn biedt. Met de introductie van de Algemene Pensioeninstelling (API) dient het mogelijk te worden om hierop wèl in te kunnen spelen. De introductie van de API zal gefaseerd plaatsvinden. In de derde en tevens laatste fase zal worden bekeken op welke wijze een API in de Pensioenwet kan worden geïntroduceerd die ook defined benefit regelingen (DB) kan uitvoeren. Voor de API dienen dan beperkende voorwaarden van onder meer verplichte domeinafbakening en het verbod op ringfencing vervallen te zijn. Lidstaten hebben allen hun eigen financieel toezicht. Dit kan ertoe leiden dat de uitvoering van een pensioenregeling in de ene lidstaat, vanuit dit perspectief bezien, kostbaarder wordt dan in een andere lidstaat. Hierdoor kan de mogelijkheid van toezichtarbitrage ontstaan.
Voor Nederlandse pensioenfondsen is het Financieel Toetsingskader van toepassing (FTK). Indien een API pensioenregelingen uitvoert waarbij de in Nederland gebruikelijke sturingsmiddelen als premiestuur, indexatiestuur en het beleggingenstuur toegepast worden, bestaat de verwachting dat voor de API eveneens het FTK van toepassing zal zijn.
Doel
Doel van deze stage is te onderzoeken in hoeverre toepassing van het FTK de API op achterstand kan zetten ten opzichte van andere Europese pensioensinstellingen als gevolg van toezichtarbitrage. Daarbij word je gevraagd tot voorstellen te komen die een achterstand kunnen beperken, en tevens in het verlengde liggen van het Nederlandse financiële toezicht.
Onderdelen van de stage
Na een literatuurstudie waarin je onder meer de huidige toezichtwetgeving van Nederland en nog nader vast te stellen landen binnen Europa bestudeert ga je tijdens je stage al snel voor een aantal pensioenfondsen de mogelijke effecten van toezichtarbitrage in kaart brengen. Deze gevoeligheden zul je vast stellen met hulp van bestaande programmatuur danwel zelf ontwikkelde programmatuur. Met je scriptie zul je een bijdrage leveren aan het meer transparant en objectief meetbaar maken van toezichtarbitrage binnen Europa.